dinsdag 8 april 2008

De Arkbogen

Ik wandelde door de Arkbogen van Knossos toen ik haar zag. Waarom men deze constructie “de Arkbogen” had genoemd begreep ik niet helemaal.
De toeristische folder die een tandeloze man me aan de ingang in de handen had geduwd hield blijkbaar geen rekening met de mogelijkheid dat een gang rond een binnentuin ook iets anders kon zijn dan Arkbogen. Ik had geen zin om er over na te denken. Sommige dingen veranderen nu eenmaal nooit. De Arkbogen noemde men ze en de Arkbogen zal men hen eeuwig blijven noemen.
Andere namen veranderen wel. Haar naam, bijvoorbeeld. En die van mij.
Ik stond achteraan in een groepje toeristen dat het verhaal van hun gids op gepaste momenten beantwoordde met Oooh-geluiden, zoals mensen dat plegen te doen wanneer men ze verteld over de geschiedenis van een plaats. Deze specifieke plaats was Interessant omdat er zich ooit een doolhof onder had bevonden, bewoond door een minotaurus nog wel. Blijkbaar. Niemand heeft dat veelbezongen doolhoof ooit weten te vinden, maar het moet toch ergens hier in de buurt zijn, niet? Een legende zou toch geen duizenden jaren kunnen overleven zonder zichtbaar bewijs, niet waar?
Zoals de liefde, misschien.
Zij stond ongeveer tien meter voor mij, gewoon nog een persoon in een kudde mensen van over heel de wereld die naar een van de oudste plaatsen in onze beschaving waren afgezakt voor hun dosis cultuur. Groot. Jong. Mooi. Lang zwart haar. Een lichte zomerjurk die haar delicate taille in de verf zette. Strooien hoed, speels overhellend naar de zijkant. Mvr. Willems, MK2. De sequel. Nog één keer voor de allertraagsten.
Naast haar mijn voormalige echtgenoot, Tiber Willems, eigenaar van het meest succesvolle advocatenbureau van Gent. Zijn linkerheup was na twee jaar nog niet volledig genezen – hij mankte nog steeds lichtjes tijdens het wandelen. Een semi-trailer had de zijkant van zijn wagen er afgescheurd. De zaak was nog steeds onopgelost: de semi-trailer was gestolen van een scheepvaartbedrijf aan de rivier en werd tien minuten verder verlaten teruggevonden langs de weg. De bestuurder werd nooit gevonden, ik had mijn alibi goed betaald.
Als vrouw van gevorderde – of tenminste toch vorderende – leeftijd die het grootste deel van haar leven had doorgebracht in de feestjes en de ingehoudendheid van de hogere klasse, werd mijn wereld die avond op zijn kop gezet. Leven aan de verkeerde kant van de wet was mij weliswaar niet onbekend: je kan het bureau van je echtgenoot niet helpen uit te groeien tot de beste in het land door strikt de regeltjes te volgen. Maar zo opwindend als die nacht was het nooit geweest. Ik voelde wat een chirurg moet voelen op het moment dat hij zijn scalpel vastneemt: stuur ik een beetje naar links veroorzaak ik enkel een interne bloeding, stuur ik een beetje naar rechts mag ik mijn begrafeniskleding uit de kast halen. Ik was enkel van plan geweest wat lichte pijn te veroorzaken, de auto af te schrijven zoals ik altijd had gewild, en mijn gepijnigd hart wat te kalmeren. Maar die nacht, terwijl ik wakker lag en op het plafond de doodsangst op zijn gezicht terug zag, voelde ik het leven door mij stromen zoals ik dat nooit eerder had gevoeld.
Het duurde niet langer dan een maand, alvorens ik wist dat ik het opnieuw moest proberen. Deze keer was mijn planning zorgvuldiger. Tiber en Anna waren aanwezig op een feestje dat plaatsvond op een aangemeerde boot, op de Thames. Of het een leuk feestje was weet ik niet, maar er was vast al heel wat alcohol geconsumeerd toen het een vroegtijdig einde kende. Het is moeilijk om te blijven dansen met een lek in de boot en water rond je enkels. Ik veronderstel dat ze dan tenminte toch hun favoriete scènes uit Titanic hebben kunnen naspelen, al was het enige slachtoffer in dit geval Annas dure ketting, die ze in al haar hysterie domweg had laten vallen.
Sinds die dag gebeurt het ongeveer een keer per maand dat die twee geplaagd worden door ongelooflijke pech, en iedere keer verbaast het mij dat niemand iets door heeft. Niet opvallen is in feite gemakkelijk, als je maar hard genoeg probeert, zeker wanneer je prooi er op is getraind de mensen in de achtergrond te negeren. Jammer toch, dat er hier geen handig doolhoof met minotaurus is, want het spannende is er ondertussen wel wat af. Men kan personen maar op een beperkt aantal manieren over de rand van de Dood houden aan de toppen van hun veters, om ze vervolgens onbeschadigd terug te trekken, alvorens men zich gaat vervelen.
Ik heb een pistool in mijn handtas.
Zij wandelde door de Arkbogen toen ik haar zag. Het Griekse namiddagzonlicht viel in uit het westen en tekende de schaduw van haar hoed af op de muur. Hij had haar even verlaten om een detail te bestuderen van een of andere muurtekening die hem leek te intrigeren. Zo gebogen over die beschilderde muur leek hij een dikke tien jaar ouder. Zij was intussen in een levendig gesprek verwikkeld met een rugzaktoerist uit Australië, die sprak met een overdreven accent en te vaak “Struth!” riep om serieus genomen te kunnen worden. Hij woont waarschijnlijk in de binnenstad, waar hij terug zal keren naar zijn website-ontwerpbedrijfje eens hij de wereld volgens lonelyplanet.com helemaal heeft gezien. Een flikkering stond in haar ogen, haar hand lag op zijn bovenarm.
Op dat moment, met mijn vingers gekruld rond het pistool in mijn handtas, kon ik de toekomst zien. Het zou niet vandaag gebeuren. Het zou mogelijk deze week niet gebeuren. Maar met een beetje manipulatie van mijn kant zou het zeker gebeuren. Oh ja, er zou heel wat gebeuren.
Ik verdween terug in de massa. De dood kon wachten voor deze twee.