dinsdag 8 april 2008

De Arkbogen

Ik wandelde door de Arkbogen van Knossos toen ik haar zag. Waarom men deze constructie “de Arkbogen” had genoemd begreep ik niet helemaal.
De toeristische folder die een tandeloze man me aan de ingang in de handen had geduwd hield blijkbaar geen rekening met de mogelijkheid dat een gang rond een binnentuin ook iets anders kon zijn dan Arkbogen. Ik had geen zin om er over na te denken. Sommige dingen veranderen nu eenmaal nooit. De Arkbogen noemde men ze en de Arkbogen zal men hen eeuwig blijven noemen.
Andere namen veranderen wel. Haar naam, bijvoorbeeld. En die van mij.
Ik stond achteraan in een groepje toeristen dat het verhaal van hun gids op gepaste momenten beantwoordde met Oooh-geluiden, zoals mensen dat plegen te doen wanneer men ze verteld over de geschiedenis van een plaats. Deze specifieke plaats was Interessant omdat er zich ooit een doolhof onder had bevonden, bewoond door een minotaurus nog wel. Blijkbaar. Niemand heeft dat veelbezongen doolhoof ooit weten te vinden, maar het moet toch ergens hier in de buurt zijn, niet? Een legende zou toch geen duizenden jaren kunnen overleven zonder zichtbaar bewijs, niet waar?
Zoals de liefde, misschien.
Zij stond ongeveer tien meter voor mij, gewoon nog een persoon in een kudde mensen van over heel de wereld die naar een van de oudste plaatsen in onze beschaving waren afgezakt voor hun dosis cultuur. Groot. Jong. Mooi. Lang zwart haar. Een lichte zomerjurk die haar delicate taille in de verf zette. Strooien hoed, speels overhellend naar de zijkant. Mvr. Willems, MK2. De sequel. Nog één keer voor de allertraagsten.
Naast haar mijn voormalige echtgenoot, Tiber Willems, eigenaar van het meest succesvolle advocatenbureau van Gent. Zijn linkerheup was na twee jaar nog niet volledig genezen – hij mankte nog steeds lichtjes tijdens het wandelen. Een semi-trailer had de zijkant van zijn wagen er afgescheurd. De zaak was nog steeds onopgelost: de semi-trailer was gestolen van een scheepvaartbedrijf aan de rivier en werd tien minuten verder verlaten teruggevonden langs de weg. De bestuurder werd nooit gevonden, ik had mijn alibi goed betaald.
Als vrouw van gevorderde – of tenminste toch vorderende – leeftijd die het grootste deel van haar leven had doorgebracht in de feestjes en de ingehoudendheid van de hogere klasse, werd mijn wereld die avond op zijn kop gezet. Leven aan de verkeerde kant van de wet was mij weliswaar niet onbekend: je kan het bureau van je echtgenoot niet helpen uit te groeien tot de beste in het land door strikt de regeltjes te volgen. Maar zo opwindend als die nacht was het nooit geweest. Ik voelde wat een chirurg moet voelen op het moment dat hij zijn scalpel vastneemt: stuur ik een beetje naar links veroorzaak ik enkel een interne bloeding, stuur ik een beetje naar rechts mag ik mijn begrafeniskleding uit de kast halen. Ik was enkel van plan geweest wat lichte pijn te veroorzaken, de auto af te schrijven zoals ik altijd had gewild, en mijn gepijnigd hart wat te kalmeren. Maar die nacht, terwijl ik wakker lag en op het plafond de doodsangst op zijn gezicht terug zag, voelde ik het leven door mij stromen zoals ik dat nooit eerder had gevoeld.
Het duurde niet langer dan een maand, alvorens ik wist dat ik het opnieuw moest proberen. Deze keer was mijn planning zorgvuldiger. Tiber en Anna waren aanwezig op een feestje dat plaatsvond op een aangemeerde boot, op de Thames. Of het een leuk feestje was weet ik niet, maar er was vast al heel wat alcohol geconsumeerd toen het een vroegtijdig einde kende. Het is moeilijk om te blijven dansen met een lek in de boot en water rond je enkels. Ik veronderstel dat ze dan tenminte toch hun favoriete scènes uit Titanic hebben kunnen naspelen, al was het enige slachtoffer in dit geval Annas dure ketting, die ze in al haar hysterie domweg had laten vallen.
Sinds die dag gebeurt het ongeveer een keer per maand dat die twee geplaagd worden door ongelooflijke pech, en iedere keer verbaast het mij dat niemand iets door heeft. Niet opvallen is in feite gemakkelijk, als je maar hard genoeg probeert, zeker wanneer je prooi er op is getraind de mensen in de achtergrond te negeren. Jammer toch, dat er hier geen handig doolhoof met minotaurus is, want het spannende is er ondertussen wel wat af. Men kan personen maar op een beperkt aantal manieren over de rand van de Dood houden aan de toppen van hun veters, om ze vervolgens onbeschadigd terug te trekken, alvorens men zich gaat vervelen.
Ik heb een pistool in mijn handtas.
Zij wandelde door de Arkbogen toen ik haar zag. Het Griekse namiddagzonlicht viel in uit het westen en tekende de schaduw van haar hoed af op de muur. Hij had haar even verlaten om een detail te bestuderen van een of andere muurtekening die hem leek te intrigeren. Zo gebogen over die beschilderde muur leek hij een dikke tien jaar ouder. Zij was intussen in een levendig gesprek verwikkeld met een rugzaktoerist uit Australië, die sprak met een overdreven accent en te vaak “Struth!” riep om serieus genomen te kunnen worden. Hij woont waarschijnlijk in de binnenstad, waar hij terug zal keren naar zijn website-ontwerpbedrijfje eens hij de wereld volgens lonelyplanet.com helemaal heeft gezien. Een flikkering stond in haar ogen, haar hand lag op zijn bovenarm.
Op dat moment, met mijn vingers gekruld rond het pistool in mijn handtas, kon ik de toekomst zien. Het zou niet vandaag gebeuren. Het zou mogelijk deze week niet gebeuren. Maar met een beetje manipulatie van mijn kant zou het zeker gebeuren. Oh ja, er zou heel wat gebeuren.
Ik verdween terug in de massa. De dood kon wachten voor deze twee.

dinsdag 18 maart 2008

Kroniek van een aangekondigd ongeluk

Kroniek van een aangekondigd ongeluk

Om drie uur ‘s ochtends wandel ik de nachtwinkel bij het tankstation binnen. Ik weet niet of mijn nachtelijke wandelingen mijn insomnia verhelpen, dan wel verergeren. Vroeger hielpen ze, dat is zeker, maar nu is het enkel een slechte gewoonte geworden, vrees ik.
Muzak weerklinkt boven mijn hoofd en het frisdrank-apparaat voor mij ruist zacht terwijl ik mijn beker vul met cola. Een large beker – die krijg ik nooit op, waardoor ik later zal klagen dat ik de large toch niet echt nodig had, maar hey, wat is 25 cent meer? De zwarte stroom frisdrank heeft er halverwege plots genoeg van en ik vloek binnensmonds. Ik plant mijn handpalm met volle kracht op het gezicht van het tegenspruttelende apparaat. “Please, no smash machine. Thank.”, zegt de man achter de toonbank. Ik mompel een onbestemde verwensing, terwijl de stroom alsnog hervat. Ik wandel naar de toonbank, ondertussen mijn jaszak doorzoekende. Een walgelijke wegwerpzakdoek met groene vlekken, een versleten paperclip… en een briefje van 1 euro , dat ik samen met wat kleingeld op de toonbank leg. De man be-“thank”t mij opnieuw. Ik lach door mijn neus en grijns, de deur rinkelt terwijl ik naar buiten ga.
Het tankstation is verlaten, op één man na. En – je zal het altijd zien in tankstations – hij is zijn wagen, een SUV zowaar, vol aan het tanken. Hier buiten hoor ik nog steeds de muzak van in de winkel, het geluid nog dunner nu. Zijn wagen is mooi blauw, niet te vergelijken met het miserabel hoopje rood-grijs staal dat ik in mijn garage staan heb. Hij staart naar de tikkende teller van de pomp en schudt enkel zachtjes zijn hoofd. Ik kom stilaan dichterbij, ondertussen veel dichter dan wenselijk is op dit uur van de nacht, maar zijn ogen blijven gefixeerd op de teller. Die beweegt tamelijk snel en ik moet toegeven dat het een opmerkelijk gezicht is. Misschien is mijn hoopje staal toch zo slecht nog niet.
Het kruispunt op de hoek van het tankstation is volledig leeg nu. Binnen drie uur zal het hier overlopen van claxonerende wagens, maar nu is het nog doodstil. Ik kijk omhoog naar de verkeerslichten, die aanwijzingen geven aan niemand. Mijn licht staat op rood maar ik steek toch over. Halfverwege houd ik halt om in beide richtingen te kijken. Niemand. Ik lijk te zweven en voor ik het weet sta ik pal in het midden van het kruispunt, recht onder de hangende verkeerslichten. De modale mens ziet de pyramides niet meer dan een keer in zijn leven en de Eiffeltoren misschien drie, vier, of zelfs nog een paar keer meer voor de romantici. Maar toch geniet men van de relatieve zeldzaamheid van die momenten en dat is precies wat ik nu aan het doen ben. Ik zit neer, de benen gekruist, en drink van mijn ijskoude cola. Te koud en mijn hersens bevriezen, maar ik weet de pijn weg te bijten. Ik zet mijn beker neer op de straat en wandel weg. Ik had de large toch echt niet nodig.
Eigenlijk zou ik bang moeten zijn om door deze buurt te wandelen op dit uur, maar ik kan er mezelf niet toebrengen angst te voelen. Ieder huis is groter dan ikzelf en de meesten zijn groter dan mijn huis. Het is rustig, griezelig rustig bijna. Er staat geen wind, maar toch is het fris. Mijn dunne broek en laag uitgesneden trui helpen ook niet. Ik hou van de nacht, en mijn insomnia ook. Ik probeer te genieten van de duisternis, maar om de tien meter word ik telkens opnieuw verblind door alweer een straatlamp. Een volgspot speciaal voor mij, veronderstel ik. Tegen wanneer de rest van de wereld wakker is, zullen de lichten reeds lang verdwenen zijn.
Ik wandel naar de foute kant van de weg. Ik kan de rechterkant van de weg nu nog uitdagen. Iedere stap die ik zet is te luid. Het is vreemd om dat te horen. Ik begin bewust te wandelen en geniet. Probeer zoiets tijdens de dag en je verdrinkt in het lawaai.
Terwijl ik verder wandel, trap ik tegen de kiezelsteentjes voor mijn voeten. Met een hoog, krakend geluid vallen ze uit mekaar over het voetpad. Mijn gedachten vallen ook uit mekaar. Ik richt mijn blik naar de lucht om de sterren en de maan te bewonderen. Geen sterren. Ik hou nog steeds van de nacht. Alle andere mensen zijn weg, en ik ben alleen op de wereld. Het voelt bijna alsof ik leef. Er is geen adminstratie die geregeld moet worden, en ik word nergens verwacht. De telefoon gaat niet over ‘s nachts en de zon verblindt de wereld niet. Ik kan zien zonder zonnebril.
Mijn gedachten vallen terug in mijn hoofd en concentreren zich voor mij. Twee heldere lichten verschijnen en komen mijn richting uit. Ik kan zelfs mijn voetstappen niet meer horen. Ik kan mezelf niet horen denken. Het komt dichterbij en ik hoor muziek nu. Het is onverstaanbaar, maar er is een kloppend ritme en het schudt me door mekaar.
Dan voel ik het, eerst in mijn heup, en dan ben ik ondersteboven. Een plotse pijn in mijn schouder, het geluid van brekend glas. Ik tol nu zijdelings. De lucht, de huizen, de grond: alles is vaag. Ik zie weinig meer dan enkele dikke vlekken licht. De muziek is duidelijk te horen nu. Ik zit gevangen in een wervelwind. En dan houdt het allemaal op. De grond voelt koel tegen mijn rug. Mijn hoofd slaat achterover en ik hoor mijn schedel kletteren. Ik hoor ook iets wat lijkt op een doordringende kreet en slaag er in mijn hoofd op te heffen. Alles is wazig, maar ik kan twee rode lichten uitmaken, niet zo ver weg. Maar ook zij worden vager en bewegen zich parallel aan mekaar van mij weg. De muziek is weg, het gebrul is weg, opnieuw stilte. Ik bekijk mijn benedenlichaam. Mijn been is achterom gebogen en lijkt vast te zitten aan mijn achterwerk. Mijn zicht wordt vager, ik leg mijn hoofd neer en sluit de ogen.
Ik open mijn ogen. De zon verblindt me en ik beweeg mijn hoofd. Nu zijn het niet meer de zonnestralen, maar knipperende lichten die me verblinden. Ik hoor gedempte stemmen. “Wakker, hij is wakker! Niet bewegen, gewoon stil zitten. Als je beweegt zal je nog meer breuken oplopen.” Ik denk dat ik glimlach, alvorens alles weer wegdeemstert.
Ik lijk te zweven. Iets doet me schudden. Links van mij roept een man in zijn telefoon, de vinger in het andere oor. Ook ik bemerk het lawaai. Rechts van mij is een andere man, die staart naar een aantal machines met lopende tellers. Ik vraag hem wat er gebeurt en hij antwoordt dat ik naar het ziekenhuis gebracht word. Ik vraag hem waarom. Hij vertelt me dat ik gevonden werd op de weg maar dat niemand weet hoe lang ik daar al lag. Hij is verrast dat ik nog leef. Ik vraag hem naar de toestand van mijn benedenlichaam. Het zijn vrij ernstige breuken, zegt hij. Ik vraag of ik dood ga. “Nee”, en hij draait zich van me weg. Ik word kwaad maar kan enkel mijn lippen flauw bewegen terwijl ik naar de scherpe klank van de sirenes luister alvorens alles weer verdwijnt.
Nu is het overal wit, en dat doet pijn aan mijn ogen. Alles doet pijn. Ik zie een man, gekleed in groen, met een wit masker. Ik kijk omlaag en zie stippellijnen, die als een wegmarkering over mijn borst lopen. Iemand achter me roept “Jezus, hij is wakker! Duw hem terug onder, ik dacht dat hij weg was, is hier eigenlijk iemand bekwaam?” Een witte hand trekt iets over mijn mond en neus. Mijn hartslag versnelt en alles verdwijnt opnieuw.
*
Het is drie uur ‘s ochtends en ik kan niet slapen. Dat krijg je als je te veel pijnstillers neemt. Er is geen stroom, dus ook geen nachttelevisie. Ik zit in mijn garage, een rolstoel op de plaats waar ooit mijn wagen stond. Ze hebben de kerel nooit gevonden, hij was reeds lang vertrokken tegen dat ze mij vonden. Onbegonnen werk. Ik denk dat ze niet hard genoeg geprobeerd hebben. Vanavond staan er enkele sterren aan het firnament. Een paar dunne wolken bedekken de maan, die nu oranje kleurt. Een serieuze verbetering. Ik duw de joystick naar voor, er is een kleine schok en dan kalmeert het ritme van de wielen. Ik lijk wel te zweven. Ik bereik de rand van het voetpad en trek de joystick terug. Ik kijk naar beneden en zie waar de rand het zwart van mijn wielen ontmoet. Een paar kiezels liggen aan mijn voeten. Ik kan niet en dus zal ik niet.
Ik draai de joystick rond en volg. De rolstoel rijdt de oprit weer op. Ik wou dat het sneller kon gaan, maar ik weet dat dit nooit zal gebeuren. En dan stopt hij. Ik duw de joystick een paar keer snel na mekaar vooruit maar de rolstoel beweegt niet, kan niet bewegen. Ik voel het effect van de pijnstillers uitwerken. Ik zou om hulp moeten roepen, maar dat kan ik niet. Ik kan niets meer doen van wat ik wil doen. Ik duw mijn handen vooruit en de rolstoel schuift onder me uit. Ik val op de stoep en voel hoe de kiezels putjes in mijn handpalmen maken. Ik hoor hoe de rolstoel van de helling rolt, en daarna het geluid van metaal tegen beton. Ik duw mezelf op mijn rug en bekijk de sterren. Ik sluit mijn ogen. Deze keer weet ik zeker dat ik lach.

maandag 7 januari 2008

Verkeersaders

Voor iemand aan de andere kant van de wereld kunnen kleine dingen soms een grote geruststelling betekenen. Een Italiaan in Nevada die zichzelf verteld “In Milaan is niets vreemd” is daar een goed voorbeeld van. Deze kleine kruimels – glimmers van iets dat op thuis lijkt die onvermijdelijk het besef dat men over enkele weken weer daar zal zijn met zich meebrengen – helpen de gedachten zich te kalmeren door snel te fixeren op deze verre doelpalen.Het onderwerp van deze mentale blik kan echter op geen enkele manier antwoorden. Steden leven namelijk niet, ondanks de zware inspanning die de literatuur heeft geleverd om mensen van het tegendeel te overtuigen. Er zit geen échte warmte in het nalicht van de straatlichten en de bomen zwaaien niet naar de voorbijgangers of in het ritme van wat dan ook, dat alles is slechts verbeelding. Hoe kunnen zo veel mensen dan toch geloven dat de stad waarin ze wonen op een of andere manier een levend organisme is?

Kijk naar Brussel: een congregatie van twee miljoen mensen zou toch een goede plaats moeten zijn om een vorm van etherisch leven te vinden (ingebeeld of niet), zou men denken.  En inderdaad, het patina van de zaterdagnacht, geboren uit een mengeling van zweet, amfetamine en licht bezorgde blikken van de politie zou iemand kunnen doen denken dat men – al leeft de stad zelf dan misschien niet – in deze atmosfeer, in de stoom afkomstig van al die energetische jonge mensen die steeds weer datzelfde pad bewandelen, de vage aanwezigheid van iets niet bepaald menselijk kan voelen. Iemand kan in dat geval weliswaar best medische hulp zoeken, want er zat mogelijk iets verdacht in zijn of haar cocktail.  Mogelijk, niet zeker, maar beter voorkomen dan genezen en dus best op veilig spelen, nietwaar?

Hetzelfde zou men kunnen zeggen over de bijna ritualistische verkeersopstroppingen. Zoals bij een op sterven liggend verkalkt hart is de oorzaak van het probleem welbekend, maar een oplossing veel minder voor de hand liggend. Poëtische gezwijmel buiten beschouwing gelaten, valt er echter geen diepere betekenis te ontlenen aan duizenden mensen die en masse rond, laten we zeggen, acht uur ‘s morgens in hun wagen stappen. En ook niet aan hun onvermijdelijke terugkeer in de namiddag, langs de overvolle wegen waarvoor iemand ooit in een romantische bui de naam“verkeersaders” heeft bedacht. Het zijn gewoon een hele hoop mensen die, zonder het goed en wel te beseffen, mekaars dag verpesten. De essentie van het menselijk bestaan dus, in feite.

De stadspassanten, hightech apparatuur strak tegen zich aangeklemd, lijken zich er in ieder geval niet speciaal aan te storen. Het is in ieder geval een upgrade (een woord dat deze mensen intussen associëren met alles van meer werkgeheugen tot ware liefde) ten opzichte van de vroegere wanorde, zullen ze denken. De moderne stad is ontworpen met haar inwoners in gedachte. Een vriendelijke stad die mensen in het hart draagt, zullen eendagsbezoekers verzuchten. En oh, hoe prachtig, men heeft zelfs enkele ouder gebouwen bewaard, zullen ze verder gaan, terwijl hun portefeuilles op methodische wijze geleegd worden door de souvenierwinkels en shoppingcentra.

Misschien is het de natuurlijke neiging van de mens om zijn zintuigen te wantrouwen, die ons het idee van een levende stad, of zelfs van het werkwoord antropomorfiseren an sich, heeft ingegeven. We leven volgens patronen, in een comfortabele sleur en plots komt dan de mentale capaciteit voor verbeelding vrij. En dus beginnen we geesten te zien in de sigarettenrook van de night clubs. En denken we dat wegen naar vitale organen noemen een goed idee is.

dinsdag 18 december 2007

Mist in de nulstand


Een maand geleden kwam de mist in de stad. Hij kwam vroeg in de ochtend, terwijl niemand keek, terwijl iedereen sliep. Zijn dikke contouren bedekten de straat en vertroebelden het geluid van het passerende verkeer.

De mist bracht meteen veel kleine, maar ingrijpende veranderingen in ons leven. Plots liepen we bijvoorbeeld allemaal rond met een sjaal... zij die nog rond durfden lopen tenminste. In de eerste weken vormden we een commissie. En nog een commissie. En een subcommissie. En nog een subcommissie. Allen met één doel: een einde maken aan de vaagheid die over onze stad hing en derhalve afrekenen met de mysterieuze mist. Er werden speciale bouwvergunningen in het leven geroepen, referenda gehouden en gigantische ventilators ingezet. Maar niets kon ons uit de bewolktheid tillen en geleidelijk aan verwerden de actiegroepen tot onopgemerkte en zwijgzame delen van het stadslandschap, net zoals de verkeerslichten en de reclameborden dat altijd al waren geweest.

Reclameborden... het was al even geleden dat iemand er zo nog een gezien had. Er was sinds de komst van de mist echter wel een nieuwe, opvallende verschijning in de stad gesignaliseerd: herten. Velen spraken over hun elegante lichamen, die ze nog net een hoek hadden zien omgaan, daarbij slechts een glimps van hun bevlekte huid of witte staart opvangend. Ook ikzelf heb een hert gezien, in de verte, op een moment dat de mist zich heel even opende. Toen ik buitenkwam uit mijn appartementsgebouw stond ze in de raamopening van de verlaten bakkerij aan de overkant van de straat. Ze tilde haar hoofd op en staarde me aan, ondertussen kauwend op iets wat ik niet kon uitmaken. Daarna keerde de mist terug. Mijn gezichtsveld zat terug dicht, terwijl mijn neusgaten zich plots leken te openen en gevuld werden met de geur van het afval en het vuile straatwater dat lichtjes, nauwelijks merkbaar opsteeg.

Mijn handen zijn koud nu, koud en nat. Twee dagen geleden was ik op weg naar het stadhuis. Ik hield mijn handen samen tegen mijn lippen en blies er wat warme lucht in, toen ik besefte dat ik alleen was. Ik zag niemand op het voetpad, niemand in de gebouwen, zelfs niemand in de zijstraten. In de vochtige ochtend was ik volledig alleen en geïsoleerd in onze stad. Ik keek door een winkelraam, maar zag enkel mijn eigen reflectie. Ik stond rechtop, met kromme rug en lanke schouders waarop een zwaar hoofd rustte, met bleke kaken, een ongeschoren gezicht, en daaronder een groene sjaal, gewikkeld rond mijn nek. Ik vroeg me af wanneer ik me had laten gaan en bracht een rood aangelopen rechterhand naar mijn stoppels. De warmte daar was verontrustend.

woensdag 12 december 2007

Yves Leterme: "Het is de schuld van de weeskinderen!"

De voormalige toekomstige Belgische premier Yves Leterme ligt de laatste tijd weer iets heviger dan gewoonlijk onder vuur. Ozon heeft besloten niet mee te doen aan deze hetze en dhr. Leterme liever een vrij podium te bieden, zodat hij zelf eens voor goed kan duidelijk maken wie er écht schuldig was aan zijn mislukte formatiepogingen. Alvast een tipje van de sluier: het was niet hijzelf.

We ontmoeten Leterme in een typisch Brussels volkscafé. Hij ziet er vermoeid uit en zal tijdens het bijzonder korte gesprek ook voortdurend op zijn horloge kijken, terwijl hij de voorbijkomende cafégangers die hem zonder uitzondering in het gezicht spuwen nauwelijks nog lijkt op te merken.

Goeiedag, Mr. Leterme. 
Yves Leterme: (veegt een wanksmakelijke mengeling van speeksel en zweet van zijn voorhoofd) Ik ben vanmorgen opgestaan en ik heb moeten vaststellen dat het weerbeeld zich tot nog toe ontwikkeld heeft op een manier die niet uitzonderlijk is en zelfs kentekenend voor deze tijd van het jaar genoemd zou mogen worden. Dit wil zeggen, veel wolken, weinig zon en temperaturen die geregeld flirten met het nulpunt. De dag is natuurlijk nog jong, het is nog maar net middag, dus kwalitatieve beoordelingen maken aangaande dit onderwerp lijkt mij op dit moment voorbarig en vooral onverstandig. Bon, u hebt vijf minuten, maak het kort.
Euhm... waarover we het met u wilden hebben: we beseffen dat Ketnet & de RTBF het u bijzonder moeilijk gemaakt hebben. Maar bent u ergens ook niet een heel klein beetje zelf verantwoordelijk voor uw falen?
"Falen" is een woord dat tegenwoordig door iedereen heel graag gebruikt wordt, maar wat betekent het eigenlijk? Dat weet niemand, maar denkt u dat dit die journalisten tegenhoudt om mij er voortdurend van te beschuldigen?
Met alle respect, maar 'falen' is toch een vrij courant woord? Vandale omschrijft het als "het nagestreefde niet bereiken".
Kijk, Vandale is duidelijk opgesteld met een bepaalde politieke agenda in het achterhoofd. 'Goedbestuurvoordemensen' staat er zelfs niet in vermeld, zelfs niet in een voetnoot ofzo, terwijl het Vlaamse volk mij toch een duidelijk mandaat heeft gegeven om goedbestuurvoordemensen naar hen te brengen. Ik probeer dat te realiseren, maar dat is uiteraard niet gemakkelijk als niemand weet wat dat precies inhoudt. Sommige mensen in mijn buurt vergelijken Vandale met Mein Kampf.
Dat doet me er trouwens aandenken: waar zitten de Duitstaligen in dit debat? Zij staan - zoals gewoonlijk - weer langs de kant toe te kijken zonder iets te ondernemen maar je voelt gewoon dat ze iets van plan zijn. Diep vanbinnen zijn die mensen toch nog steeds meer Duitser dan Belg. En Duitsers zijn niet te vertrouwen, in negen op de tien gevallen zelfs vlakaf kwaadaardig. Zeggen sommigen.
Dat is een feit. Maar impliceert...
(onderbreekt) Weet je wie ook absoluut niet helpen? Weeskinderen! Zelfs Frieda Brepoels diende af en toe een voorstel in waar iets mee aan te vangen was - er was op Hertoginnendal een schrijnend tekort aan wc-papier, ziet u - maar ik heb geen enkel weeskind ook nog maar moeite zien doen om tot een oplossing te komen. Er is zelfs niemand van hen komen opdagen aan de onderhandelingstafel. In mijn omgeving hoor ik steeds meer mensen zeggen dat we ze allemaal zouden moeten verdelgen als de kakkerlakken die ze zijn.
Kakkerlakken vallen eigenlijk nog mee, zeker in vergelijking met van die pasgeboren puppies. Dat kan zich geen tien centimeter voortbewegen zonder op de bek te gaan, dat lijkt meer op een rioolrat dan een hond en dat spreekt dan ook nog eens geen woord Nederlands. Zelf zou ik zo ver niet gaan, maar ik heb al veel mensen de parallel zien trekken tussen puppies en PS-schepenen.
Mr. Leterme, we weten dat u het druk hebt en appreciëren ten zeerste dat u even de tijd voor ons wilde nemen. Sta ons toe af te sluiten met een citaat van Nelson Man...
Nelson Mandela, zwijg me over die vent! Heb je die Zuid-Afrikanen al eens Nederlands horen spreken? Zelfs Isabelle Durant maakt minder grammaticale fouten, godbetert. En is het toeval dat de AIDS-epidemie zo hevig is uitgespreid in Zuid-Afrika tijdens zijn presidentschap? Volgens mij...euhm... volgens sommigen werden mensen onder zijn regime systematisch besmet met HIV door hun eigen dokters! Nee, mensen als Nelson Mandela - begrijp me niet verkeerd, dan heb ik het niet over zijn huidskleur, of toch niet enkel daarover- buiten de regering houden is een absolute voorwaarde voor het verwezenlijken van goedbestuurvoordemensen. Net zoals socialisten, Duitstaligen, weeskinderen & puppies trouwens. Prettige dag verder. (Staat op, duwt een gehandicapte uit zijn rolstoel en trapt een zwangere vrouw vol in de maag, alvorens zich al vloekend naar de uitgang te begeven.)

vrijdag 7 december 2007

Koude isolatie


Dat jaar kwam de lente niet. Je wachtte er op maar ze kwam niet. De sneeuw hield niet op met vallen, het ijs smeltte niet en het bleef het hele jaar koud en donker.

Je had nooit opgemerkt wat voor isolerend effect de sneeuw had. Het was alsof elk omgevingsgeluid er door opgeslorpt werd, in die mate dat wanneer je 's nachts buiten stond enkel het stille ademen van de wind en af en toe het voorzichtig voortbewegen van een wagen hoorbaar waren.

In april begon je familie de afwezigheid van de lente op te merken. Je vader klaagde over het zout op de wegen en hoe dat de wagen deed roesten. Na een tijdje merkte ook de buurt het op en je hoorde de mensen er steeds vaker over spreken, weliswaar op luchthartige toon. Ze maakten wel grappen over hun ontevredenheid maar niemand leek zich echt zorgen te maken. Niemand was bang in dit kleine dorp, of niemand gaf dat in ieder geval toe. Maar jij was wel bang. Jij wou de lente, je keek altijd uit naar de lente en je begon te vrezen dat ze nooit meer zou komen. De zomer was weliswaar je favoriete seizoen, maar die duurde hier nooit lang. Twee maanden als je veel geluk had, maar normaal gezien hooguit vijf weken. Dit ontleende de lente een dubbel belang: ze verwijderde de gehate winter en ze voorspelde de komst van de felbeminde zomer. Maar de lente kwam niet.

Iedere jaar begon je reeds tijdens de winter geleidelijk aan uit te kijken naar de lente. Je lette wel op niet te snel te ongeduldig te worden, dat zou immers enkel onnodige stress veroorzaken. Maar tegen dat het maart was stond je iedere morgen hoopvol op, in de verwachting dat de sneeuw zou wegsmelten. Je kreeg hevig heimwee naar onbegraven gras en weersomstandigheden die zonder regenjas trotseerbaar waren. Je keek altijd uit naar die eerste echt mooie dag van het jaar, waarop de zon helder zou schijnen, waarop de lucht nauwelijks wolken zou kennen en waarop je als een bezetene over het gazon zou dansen tot je duizelig werd. Maar dat jaar bleef de lente uit. Iedere ochtend na poisson d'April was gevuld met verwachting. Vandaag, vandaag was de dag dat de sneeuw zou smelten. Maar iedere morgen werd je wakker in een witte wereld. En je kreeg steeds meer schrik.

Je familie sprak er uiteindelijk niet meer over en deed alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Je zussen geraakten hun sneeuwballengevechten nooit moe, het hele jaar lang niet. Je vader en moeder maakten geen opmerkingen meer en de buren vertelden geen grappen. Misschien waren zij net zo bang als jij, of misschien waren ze er aan gewend geraakt... gewend aan de eeuwige winter.

De media ging er volledig aan voorbij. De gezinnen uit je buurt geraakten steeds meer geïsoleerd. Geen spontane gesprekken over de toestand van de tuin, geen barbecue-uitnodigingen en geen vuurwerk op de dagen dat er normaal vuurwerk was. De schoorstenen rookten het ganse jaar door en je vader hield uiteindelijk zelfs op met klagen over de energierekening.

Nu begonnen de kleine dingen op je zenuwen te werken. Je moest je haar altijd volledig droog blazen voor je naar buiten ging of het zou gegarandeerd bevriezen terwijl je wachtte op de bus. Het duurde bovendien vaak meer dan tien minuten voor je voldoende aangekleed was om naar buiten te kunnen. En elke dag moest je die lelijke met wol beklede laarzen en onhandige wanten aantrekken. Je kon niet meer voetballen op de oprit en zelfs sleeën begon saai te worden tegen mei.

Juni kwam, ging en de sneeuw bleef liggen. Het einde van het schooljaar verergerde de zaken enkel. Wat was de zin van een zomervakantie wanneer het bijna altijd sneeuwde en het buiten nooit meer dan -15 graden was? De jaarlijkse familiale kampeervakantie werd dit jaar geschrapt, zonder dat iemand er iets over vermelde. Je ging niet vissen en je reed niet rond op je fiets. Iedere morgen nam je hoop dat de sneeuw zou zijn gesmolten af. Je kon maar zoveel keer teleurgesteld worden alvorens je wel realistisch moést worden.

Bijna elke dag van die zomer bracht je binnen door, voor de televisie of achter het fornuis, moeder helpende met het bereiden van het eten. Het frustreerde je dat je zussen zo gelukkig leken - je ouders hadden tenminste de hoop opgegeven en waren de koude even beu als jij. Maar je zussen kropen 's nachts gezellig samen in één slaapzak en speelden ganse dagen buiten, in de met sneeuw gevulde zandbak waar ze sneeuwman na sneeuwman maakten. Je bekeek hen door het raam en werd woedend en steeds angstiger.

Soms werd je wakker, enkel om uren in bed te blijven liggen. Wanneer je uiteindelijk toch opstond liet je de gordijnen van je kamer dicht en keek je niet naar buiten. Je deed alsof het een echte zomer was en je er gewoon voor gekozen had die dag niet naar buiten te gaan. Maar je kon jezelf niets wijsmaken. Met je ouders leek je elke dag dezelfde gesprekken te voeren. Aan je moeder vroeg je welke films die week in de zalen kwamen en of je ze zou kunnen gaan bekijken. Zij antwoordde dan steevast dat jullie volgende week misschien samen naar de bioscoop zouden gaan. Aan je vader vroeg je zijn mening over de voorpagina's van de kranten, om vervolgens de tegenovergestelde positie aan te nemen en met hem te discussiëren. Meestal verloor je het debat, soms wist je hem te overtuigen. Maar de gesprekken hielden de winter en de angst slechts uit je hoofd voor enkele ogenblikken en eens ze voorbij waren en je terug keerde naar je gedachten, kwamen de winter en de angst meteen terug, nog heviger aanwezig dan voordien.

Een nieuw schooljaar begon maar het voelde als de verderzetting van het vorige, omdat de winter nooit voorbij was gegaan. Je wachtte op de bus met minder zenuwen dan gewoonlijk op de eerste schooldag. Tijdens de reis had niemand het over de sneeuw en de koude of het gebrek aan lente. Jij vertelde over je vakantie - je noemde het nooit zomervakantie - en alle anderen hadden blijkbaar een even saaie vakantie als jij gehad, al vertelden ze er over alsof ze zich kostelijk geamuseerd hadden.

Die eerste dag, en elke dag erna, zeiden je leerkrachten niets over de winter die niet voorbij was gegaan. Je vermoedde dat zij er blij om waren, blij dat jouw zomer bedolven was door wit. Zij waren hoogstwaarschijnlijk ergens heen getrokken waar de sneeuw wel gesmolten was, of waar de winter zelfs nooit kwam. Je lette nauwelijks op tijdens de lessen en de weken gingen voorbij, een stuk sneller dan dat ze dat de voorbije schooljaren ooit hadden gedaan.

Toen de kerstvakantie kwam was je vergeten dat de dingen ooit anders waren. Je was er je nauwelijks van bewust dat er buiten winterweer nog ander weer waarschijnlijk, of zelfs mogelijk was. Je zussen hadden nog steeds niets door, maar dat vergaf je hen. Je ouders deden nu alsof dit was hoe het altijd was en altijd zou zijn. En jij aanvaardde het. Het had een jaar geduurd, maar je aanvaardde het. Dit was jouw leven, dit waren de weersomstandigheden waarin dat leven zich afspeelde, en misschien zou het kunnen veranderen, misschien zou jij het kunnen veranderen, maar dat deed het niet en jij zou dat ook nooit doen.

Misschien kwam die volgende april de lente. Of misschien bleef de winter voor goed. Je besteedde er geen aandacht meer aan, je besefte niet eens dat verandering mogelijk was en zo gleed je door de tijd zonder iets op te merken. En terwijl je vrees zich omzette in werkelijkheid, bleef de angst bestaan. Maar je leerde hem negeren en je leerde er mee te leven.

zaterdag 1 december 2007

De formatiecrisis, voor kids

Het maakt mij altijd een beetje week wanneer ik zie dat mensen, tegen beter weten in, toch steeds weer terugvallen op oude gewoontes die ze - meestal onder druk van de alles meeslepende tijdsgeest -dik tegen hun goesting hebben moeten afleren.

De paus die even langs de neus weg al het kwaad uit de wereldgeschiedenis in de schoenen van - hier komt ie - atheïsme schuift, Michel Verschueren die VJ Tony-gewijs panikeert bij een onschuldige vraag van Humo over Constant Van Den Stock en uitschreeuwt dat "normale" mannen niet op andere mannen vallen of De Standaard die de laatste maanden weer minder en minder moeite doet om haar verleden als tsjevengazet te verbergen... het zijn slechts enkele voorbeelden van dit courante fenomeen.

Dat laatste voorbeeld zou ik vandaag even verder willen duiden. Inderdaad, het is weer tijd voor - cue de dreigende horrorfilmmuziek en in paniek wegvluchtende vrouwen en kinderen - MIJN POLITIEKE MENINGEN. Nu, ik weet, de kans dat een CD&V-kiezer dit leest en denkt "hmm, misschien heb ik mij toch vergist door in juni voor Leterme te stemmen" is ongeveer even groot als de kans dat een Tokio Hotel-fan dit of dit leest en denkt (op voorwaarde dat ze überhaupt kunnen lezen/denken) "waar ben ik toch mee bezig? Ik smijt mijn TH-rommel weg en ga in mijn polsen snijden zoals iedere normale puber!". Maarrrrr... preaching to the choir kan ook leuk zijn, zeker wanneer het koor een stuk sympathieker is dan de kerkgangers.

Ik besef dat ik net Tokio Hotel fans vergeleken heb met CD&V-kiezers. Dat is niet eerlijk, ik ben zelf ook jong en onnozel geweest, ooit, heel lang geleden. Daarom bied ik mijn puisterige vrienden de vredespijp aan: als wiedergutmachung zal ik speciaal voor hen (en allez vooruit, ook wel een beetje voor u) vertellen over dat ééne onderwerp dat al decennialang pubers van alle geslachten, nationaliteiten, sociale klasses & geaardheden verenigd in eindeloze fascinatie: SEKS DE POLITIEKE ACTUALITEITDat was ik toch al van plan (zie de vorige alinea) en nu heb ik een excuus om niet te hard na te moeten denken en het in kinderlijke taal te doen: iedereen gelukkig!

Dus, beste TH-ers, jetzt geht's lös!

Stel je een klas 10-jarigen voor, niet veel verschillend van die waar jullie zelf inzitten. Er zitten stoere, van haantjesgedrag en testosteron overlopende jongetjes in die klas, maar ook, weliswaar fysiek zwakkere maar zekere niet hulpeloze, meer ingetogen & rustigere meisjes. Voor de schoolreis van volgende week mag de klas zelf in onderling overleg haar activiteiten bepalen, want dit is - om de allegorie te doen werken - een bizarro wereld zonder leerkrachten of andere autoriteitsfiguren.

Uiteraard lopen de interesses van de jongens en de meisjes sterk uit mekaar, dus moeten er compromissen gesloten worden. De jongens schuiven Ivo naar voor, een ietwat schuchter slungelig mannetje. Redelijk saai, maar bijgevolg wel in de mogelijkheid met iedereen door één deur te gaan en daardoor onbegrijpelijk populair in de klas, zij het vooral bij de jongens. Ivo heeft het namelijk niet zo begrepen op meisjes (die hij maar dom vindt), maar zij tolereren hem desondanks, mede omwille van zijn ontwapenende guitige glimlach.
Het probleem is echter dat Ivo achter de schermen moet luisteren naar Bert, een fors gebouwde, vroegrijpe kerel die als enige reeds haar onder zijn oksels heeft. Bert heeft een nog veel grotere afkeer van meisjes en zou het liefst van al gewoon een jongensschool oprichten. In die schoolreis heeft hij bijgevolg ook al helemaal geen zin. Dit maakt het erg moeilijk voor Ivo om met de meisjes - die door de agressiviteit van Bert ook steeds argwanender en meer terughoudend worden - een dagplanning te maken en de schoolreis moet hierdoor verschillende keren uitgesteld worden wegens het uitblijven van zelfs maar een akkoord over de bestemming, laat staan dat er een dagplanning op tafel komt.
Na lang geruzie, het schooljaar zit er intussen bijna op, hebben de jongens en de meisjes dan toch een rudimentaire planning uitgewerkt. In de voormiddag wordt er gevoetbald, in de namiddag gaan ze ponyrijden en 's avonds lezen ze gezellig mekaar voor uit het archief van Ozon. Tot Bert, de bus is net gearriveerd en iedereen is klaar om in te stappen en te vertrekken, plots al deze plannen van tafel gooit en EIST dat ze na het voetballen een stripclub bezoeken, om vervolgens wat barbiepoppen te vernielen en de avond af te sluiten met een gezellig boer- en scheettornooi. De meisjes zijn het hier uiteraard niet mee eens en laten weten niet meer mee op reis te gaan, waardoor de jongens de kosten van de busreis niet volledig betaald krijgen en dus ook nergens heen kunnen. (Tenzij ze misschien op het pleintje naast de school, bij die langharige bedelaar met zijn eigenaardig ruikende plantjes iets kunnen gaan schooien.)

Volgens De Standaard (en zowat alle andere Vlaamse media uitgezonderd die neo-Stalinastische linkse ratten van De Morgen) zijn in dit verhaaltje dus die verdomd koppige meisjes de Grote Schuldige. Van een zogenaamde "kwaliteitskrant" verwachtte ik persoonlijk toch net iets meer, maar dat zal ongetwijfeld weer aan mij liggen. Begrijpen wie begrijpen kan.