vrijdag 7 december 2007
Koude isolatie
Dat jaar kwam de lente niet. Je wachtte er op maar ze kwam niet. De sneeuw hield niet op met vallen, het ijs smeltte niet en het bleef het hele jaar koud en donker.
Je had nooit opgemerkt wat voor isolerend effect de sneeuw had. Het was alsof elk omgevingsgeluid er door opgeslorpt werd, in die mate dat wanneer je 's nachts buiten stond enkel het stille ademen van de wind en af en toe het voorzichtig voortbewegen van een wagen hoorbaar waren.
In april begon je familie de afwezigheid van de lente op te merken. Je vader klaagde over het zout op de wegen en hoe dat de wagen deed roesten. Na een tijdje merkte ook de buurt het op en je hoorde de mensen er steeds vaker over spreken, weliswaar op luchthartige toon. Ze maakten wel grappen over hun ontevredenheid maar niemand leek zich echt zorgen te maken. Niemand was bang in dit kleine dorp, of niemand gaf dat in ieder geval toe. Maar jij was wel bang. Jij wou de lente, je keek altijd uit naar de lente en je begon te vrezen dat ze nooit meer zou komen. De zomer was weliswaar je favoriete seizoen, maar die duurde hier nooit lang. Twee maanden als je veel geluk had, maar normaal gezien hooguit vijf weken. Dit ontleende de lente een dubbel belang: ze verwijderde de gehate winter en ze voorspelde de komst van de felbeminde zomer. Maar de lente kwam niet.
Iedere jaar begon je reeds tijdens de winter geleidelijk aan uit te kijken naar de lente. Je lette wel op niet te snel te ongeduldig te worden, dat zou immers enkel onnodige stress veroorzaken. Maar tegen dat het maart was stond je iedere morgen hoopvol op, in de verwachting dat de sneeuw zou wegsmelten. Je kreeg hevig heimwee naar onbegraven gras en weersomstandigheden die zonder regenjas trotseerbaar waren. Je keek altijd uit naar die eerste echt mooie dag van het jaar, waarop de zon helder zou schijnen, waarop de lucht nauwelijks wolken zou kennen en waarop je als een bezetene over het gazon zou dansen tot je duizelig werd. Maar dat jaar bleef de lente uit. Iedere ochtend na poisson d'April was gevuld met verwachting. Vandaag, vandaag was de dag dat de sneeuw zou smelten. Maar iedere morgen werd je wakker in een witte wereld. En je kreeg steeds meer schrik.
Je familie sprak er uiteindelijk niet meer over en deed alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Je zussen geraakten hun sneeuwballengevechten nooit moe, het hele jaar lang niet. Je vader en moeder maakten geen opmerkingen meer en de buren vertelden geen grappen. Misschien waren zij net zo bang als jij, of misschien waren ze er aan gewend geraakt... gewend aan de eeuwige winter.
De media ging er volledig aan voorbij. De gezinnen uit je buurt geraakten steeds meer geïsoleerd. Geen spontane gesprekken over de toestand van de tuin, geen barbecue-uitnodigingen en geen vuurwerk op de dagen dat er normaal vuurwerk was. De schoorstenen rookten het ganse jaar door en je vader hield uiteindelijk zelfs op met klagen over de energierekening.
Nu begonnen de kleine dingen op je zenuwen te werken. Je moest je haar altijd volledig droog blazen voor je naar buiten ging of het zou gegarandeerd bevriezen terwijl je wachtte op de bus. Het duurde bovendien vaak meer dan tien minuten voor je voldoende aangekleed was om naar buiten te kunnen. En elke dag moest je die lelijke met wol beklede laarzen en onhandige wanten aantrekken. Je kon niet meer voetballen op de oprit en zelfs sleeën begon saai te worden tegen mei.
Juni kwam, ging en de sneeuw bleef liggen. Het einde van het schooljaar verergerde de zaken enkel. Wat was de zin van een zomervakantie wanneer het bijna altijd sneeuwde en het buiten nooit meer dan -15 graden was? De jaarlijkse familiale kampeervakantie werd dit jaar geschrapt, zonder dat iemand er iets over vermelde. Je ging niet vissen en je reed niet rond op je fiets. Iedere morgen nam je hoop dat de sneeuw zou zijn gesmolten af. Je kon maar zoveel keer teleurgesteld worden alvorens je wel realistisch moést worden.
Bijna elke dag van die zomer bracht je binnen door, voor de televisie of achter het fornuis, moeder helpende met het bereiden van het eten. Het frustreerde je dat je zussen zo gelukkig leken - je ouders hadden tenminste de hoop opgegeven en waren de koude even beu als jij. Maar je zussen kropen 's nachts gezellig samen in één slaapzak en speelden ganse dagen buiten, in de met sneeuw gevulde zandbak waar ze sneeuwman na sneeuwman maakten. Je bekeek hen door het raam en werd woedend en steeds angstiger.
Soms werd je wakker, enkel om uren in bed te blijven liggen. Wanneer je uiteindelijk toch opstond liet je de gordijnen van je kamer dicht en keek je niet naar buiten. Je deed alsof het een echte zomer was en je er gewoon voor gekozen had die dag niet naar buiten te gaan. Maar je kon jezelf niets wijsmaken. Met je ouders leek je elke dag dezelfde gesprekken te voeren. Aan je moeder vroeg je welke films die week in de zalen kwamen en of je ze zou kunnen gaan bekijken. Zij antwoordde dan steevast dat jullie volgende week misschien samen naar de bioscoop zouden gaan. Aan je vader vroeg je zijn mening over de voorpagina's van de kranten, om vervolgens de tegenovergestelde positie aan te nemen en met hem te discussiëren. Meestal verloor je het debat, soms wist je hem te overtuigen. Maar de gesprekken hielden de winter en de angst slechts uit je hoofd voor enkele ogenblikken en eens ze voorbij waren en je terug keerde naar je gedachten, kwamen de winter en de angst meteen terug, nog heviger aanwezig dan voordien.
Een nieuw schooljaar begon maar het voelde als de verderzetting van het vorige, omdat de winter nooit voorbij was gegaan. Je wachtte op de bus met minder zenuwen dan gewoonlijk op de eerste schooldag. Tijdens de reis had niemand het over de sneeuw en de koude of het gebrek aan lente. Jij vertelde over je vakantie - je noemde het nooit zomervakantie - en alle anderen hadden blijkbaar een even saaie vakantie als jij gehad, al vertelden ze er over alsof ze zich kostelijk geamuseerd hadden.
Die eerste dag, en elke dag erna, zeiden je leerkrachten niets over de winter die niet voorbij was gegaan. Je vermoedde dat zij er blij om waren, blij dat jouw zomer bedolven was door wit. Zij waren hoogstwaarschijnlijk ergens heen getrokken waar de sneeuw wel gesmolten was, of waar de winter zelfs nooit kwam. Je lette nauwelijks op tijdens de lessen en de weken gingen voorbij, een stuk sneller dan dat ze dat de voorbije schooljaren ooit hadden gedaan.
Toen de kerstvakantie kwam was je vergeten dat de dingen ooit anders waren. Je was er je nauwelijks van bewust dat er buiten winterweer nog ander weer waarschijnlijk, of zelfs mogelijk was. Je zussen hadden nog steeds niets door, maar dat vergaf je hen. Je ouders deden nu alsof dit was hoe het altijd was en altijd zou zijn. En jij aanvaardde het. Het had een jaar geduurd, maar je aanvaardde het. Dit was jouw leven, dit waren de weersomstandigheden waarin dat leven zich afspeelde, en misschien zou het kunnen veranderen, misschien zou jij het kunnen veranderen, maar dat deed het niet en jij zou dat ook nooit doen.
Misschien kwam die volgende april de lente. Of misschien bleef de winter voor goed. Je besteedde er geen aandacht meer aan, je besefte niet eens dat verandering mogelijk was en zo gleed je door de tijd zonder iets op te merken. En terwijl je vrees zich omzette in werkelijkheid, bleef de angst bestaan. Maar je leerde hem negeren en je leerde er mee te leven.
Labels:
Proza
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten