dinsdag 18 december 2007

Mist in de nulstand


Een maand geleden kwam de mist in de stad. Hij kwam vroeg in de ochtend, terwijl niemand keek, terwijl iedereen sliep. Zijn dikke contouren bedekten de straat en vertroebelden het geluid van het passerende verkeer.

De mist bracht meteen veel kleine, maar ingrijpende veranderingen in ons leven. Plots liepen we bijvoorbeeld allemaal rond met een sjaal... zij die nog rond durfden lopen tenminste. In de eerste weken vormden we een commissie. En nog een commissie. En een subcommissie. En nog een subcommissie. Allen met één doel: een einde maken aan de vaagheid die over onze stad hing en derhalve afrekenen met de mysterieuze mist. Er werden speciale bouwvergunningen in het leven geroepen, referenda gehouden en gigantische ventilators ingezet. Maar niets kon ons uit de bewolktheid tillen en geleidelijk aan verwerden de actiegroepen tot onopgemerkte en zwijgzame delen van het stadslandschap, net zoals de verkeerslichten en de reclameborden dat altijd al waren geweest.

Reclameborden... het was al even geleden dat iemand er zo nog een gezien had. Er was sinds de komst van de mist echter wel een nieuwe, opvallende verschijning in de stad gesignaliseerd: herten. Velen spraken over hun elegante lichamen, die ze nog net een hoek hadden zien omgaan, daarbij slechts een glimps van hun bevlekte huid of witte staart opvangend. Ook ikzelf heb een hert gezien, in de verte, op een moment dat de mist zich heel even opende. Toen ik buitenkwam uit mijn appartementsgebouw stond ze in de raamopening van de verlaten bakkerij aan de overkant van de straat. Ze tilde haar hoofd op en staarde me aan, ondertussen kauwend op iets wat ik niet kon uitmaken. Daarna keerde de mist terug. Mijn gezichtsveld zat terug dicht, terwijl mijn neusgaten zich plots leken te openen en gevuld werden met de geur van het afval en het vuile straatwater dat lichtjes, nauwelijks merkbaar opsteeg.

Mijn handen zijn koud nu, koud en nat. Twee dagen geleden was ik op weg naar het stadhuis. Ik hield mijn handen samen tegen mijn lippen en blies er wat warme lucht in, toen ik besefte dat ik alleen was. Ik zag niemand op het voetpad, niemand in de gebouwen, zelfs niemand in de zijstraten. In de vochtige ochtend was ik volledig alleen en geïsoleerd in onze stad. Ik keek door een winkelraam, maar zag enkel mijn eigen reflectie. Ik stond rechtop, met kromme rug en lanke schouders waarop een zwaar hoofd rustte, met bleke kaken, een ongeschoren gezicht, en daaronder een groene sjaal, gewikkeld rond mijn nek. Ik vroeg me af wanneer ik me had laten gaan en bracht een rood aangelopen rechterhand naar mijn stoppels. De warmte daar was verontrustend.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten