maandag 7 januari 2008

Verkeersaders

Voor iemand aan de andere kant van de wereld kunnen kleine dingen soms een grote geruststelling betekenen. Een Italiaan in Nevada die zichzelf verteld “In Milaan is niets vreemd” is daar een goed voorbeeld van. Deze kleine kruimels – glimmers van iets dat op thuis lijkt die onvermijdelijk het besef dat men over enkele weken weer daar zal zijn met zich meebrengen – helpen de gedachten zich te kalmeren door snel te fixeren op deze verre doelpalen.Het onderwerp van deze mentale blik kan echter op geen enkele manier antwoorden. Steden leven namelijk niet, ondanks de zware inspanning die de literatuur heeft geleverd om mensen van het tegendeel te overtuigen. Er zit geen échte warmte in het nalicht van de straatlichten en de bomen zwaaien niet naar de voorbijgangers of in het ritme van wat dan ook, dat alles is slechts verbeelding. Hoe kunnen zo veel mensen dan toch geloven dat de stad waarin ze wonen op een of andere manier een levend organisme is?

Kijk naar Brussel: een congregatie van twee miljoen mensen zou toch een goede plaats moeten zijn om een vorm van etherisch leven te vinden (ingebeeld of niet), zou men denken.  En inderdaad, het patina van de zaterdagnacht, geboren uit een mengeling van zweet, amfetamine en licht bezorgde blikken van de politie zou iemand kunnen doen denken dat men – al leeft de stad zelf dan misschien niet – in deze atmosfeer, in de stoom afkomstig van al die energetische jonge mensen die steeds weer datzelfde pad bewandelen, de vage aanwezigheid van iets niet bepaald menselijk kan voelen. Iemand kan in dat geval weliswaar best medische hulp zoeken, want er zat mogelijk iets verdacht in zijn of haar cocktail.  Mogelijk, niet zeker, maar beter voorkomen dan genezen en dus best op veilig spelen, nietwaar?

Hetzelfde zou men kunnen zeggen over de bijna ritualistische verkeersopstroppingen. Zoals bij een op sterven liggend verkalkt hart is de oorzaak van het probleem welbekend, maar een oplossing veel minder voor de hand liggend. Poëtische gezwijmel buiten beschouwing gelaten, valt er echter geen diepere betekenis te ontlenen aan duizenden mensen die en masse rond, laten we zeggen, acht uur ‘s morgens in hun wagen stappen. En ook niet aan hun onvermijdelijke terugkeer in de namiddag, langs de overvolle wegen waarvoor iemand ooit in een romantische bui de naam“verkeersaders” heeft bedacht. Het zijn gewoon een hele hoop mensen die, zonder het goed en wel te beseffen, mekaars dag verpesten. De essentie van het menselijk bestaan dus, in feite.

De stadspassanten, hightech apparatuur strak tegen zich aangeklemd, lijken zich er in ieder geval niet speciaal aan te storen. Het is in ieder geval een upgrade (een woord dat deze mensen intussen associëren met alles van meer werkgeheugen tot ware liefde) ten opzichte van de vroegere wanorde, zullen ze denken. De moderne stad is ontworpen met haar inwoners in gedachte. Een vriendelijke stad die mensen in het hart draagt, zullen eendagsbezoekers verzuchten. En oh, hoe prachtig, men heeft zelfs enkele ouder gebouwen bewaard, zullen ze verder gaan, terwijl hun portefeuilles op methodische wijze geleegd worden door de souvenierwinkels en shoppingcentra.

Misschien is het de natuurlijke neiging van de mens om zijn zintuigen te wantrouwen, die ons het idee van een levende stad, of zelfs van het werkwoord antropomorfiseren an sich, heeft ingegeven. We leven volgens patronen, in een comfortabele sleur en plots komt dan de mentale capaciteit voor verbeelding vrij. En dus beginnen we geesten te zien in de sigarettenrook van de night clubs. En denken we dat wegen naar vitale organen noemen een goed idee is.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten