Kroniek van een aangekondigd ongeluk

Om drie uur ‘s ochtends wandel ik de nachtwinkel bij het tankstation binnen. Ik weet niet of mijn nachtelijke wandelingen mijn insomnia verhelpen, dan wel verergeren. Vroeger hielpen ze, dat is zeker, maar nu is het enkel een slechte gewoonte geworden, vrees ik.
Muzak weerklinkt boven mijn hoofd en het frisdrank-apparaat voor mij ruist zacht terwijl ik mijn beker vul met cola. Een large beker – die krijg ik nooit op, waardoor ik later zal klagen dat ik de large toch niet echt nodig had, maar hey, wat is 25 cent meer? De zwarte stroom frisdrank heeft er halverwege plots genoeg van en ik vloek binnensmonds. Ik plant mijn handpalm met volle kracht op het gezicht van het tegenspruttelende apparaat. “Please, no smash machine. Thank.”, zegt de man achter de toonbank. Ik mompel een onbestemde verwensing, terwijl de stroom alsnog hervat. Ik wandel naar de toonbank, ondertussen mijn jaszak doorzoekende. Een walgelijke wegwerpzakdoek met groene vlekken, een versleten paperclip… en een briefje van 1 euro , dat ik samen met wat kleingeld op de toonbank leg. De man be-“thank”t mij opnieuw. Ik lach door mijn neus en grijns, de deur rinkelt terwijl ik naar buiten ga.
Het tankstation is verlaten, op één man na. En – je zal het altijd zien in tankstations – hij is zijn wagen, een SUV zowaar, vol aan het tanken. Hier buiten hoor ik nog steeds de muzak van in de winkel, het geluid nog dunner nu. Zijn wagen is mooi blauw, niet te vergelijken met het miserabel hoopje rood-grijs staal dat ik in mijn garage staan heb. Hij staart naar de tikkende teller van de pomp en schudt enkel zachtjes zijn hoofd. Ik kom stilaan dichterbij, ondertussen veel dichter dan wenselijk is op dit uur van de nacht, maar zijn ogen blijven gefixeerd op de teller. Die beweegt tamelijk snel en ik moet toegeven dat het een opmerkelijk gezicht is. Misschien is mijn hoopje staal toch zo slecht nog niet.
Het kruispunt op de hoek van het tankstation is volledig leeg nu. Binnen drie uur zal het hier overlopen van claxonerende wagens, maar nu is het nog doodstil. Ik kijk omhoog naar de verkeerslichten, die aanwijzingen geven aan niemand. Mijn licht staat op rood maar ik steek toch over. Halfverwege houd ik halt om in beide richtingen te kijken. Niemand. Ik lijk te zweven en voor ik het weet sta ik pal in het midden van het kruispunt, recht onder de hangende verkeerslichten. De modale mens ziet de pyramides niet meer dan een keer in zijn leven en de Eiffeltoren misschien drie, vier, of zelfs nog een paar keer meer voor de romantici. Maar toch geniet men van de relatieve zeldzaamheid van die momenten en dat is precies wat ik nu aan het doen ben. Ik zit neer, de benen gekruist, en drink van mijn ijskoude cola. Te koud en mijn hersens bevriezen, maar ik weet de pijn weg te bijten. Ik zet mijn beker neer op de straat en wandel weg. Ik had de large toch echt niet nodig.
Eigenlijk zou ik bang moeten zijn om door deze buurt te wandelen op dit uur, maar ik kan er mezelf niet toebrengen angst te voelen. Ieder huis is groter dan ikzelf en de meesten zijn groter dan mijn huis. Het is rustig, griezelig rustig bijna. Er staat geen wind, maar toch is het fris. Mijn dunne broek en laag uitgesneden trui helpen ook niet. Ik hou van de nacht, en mijn insomnia ook. Ik probeer te genieten van de duisternis, maar om de tien meter word ik telkens opnieuw verblind door alweer een straatlamp. Een volgspot speciaal voor mij, veronderstel ik. Tegen wanneer de rest van de wereld wakker is, zullen de lichten reeds lang verdwenen zijn.
Ik wandel naar de foute kant van de weg. Ik kan de rechterkant van de weg nu nog uitdagen. Iedere stap die ik zet is te luid. Het is vreemd om dat te horen. Ik begin bewust te wandelen en geniet. Probeer zoiets tijdens de dag en je verdrinkt in het lawaai.
Terwijl ik verder wandel, trap ik tegen de kiezelsteentjes voor mijn voeten. Met een hoog, krakend geluid vallen ze uit mekaar over het voetpad. Mijn gedachten vallen ook uit mekaar. Ik richt mijn blik naar de lucht om de sterren en de maan te bewonderen. Geen sterren. Ik hou nog steeds van de nacht. Alle andere mensen zijn weg, en ik ben alleen op de wereld. Het voelt bijna alsof ik leef. Er is geen adminstratie die geregeld moet worden, en ik word nergens verwacht. De telefoon gaat niet over ‘s nachts en de zon verblindt de wereld niet. Ik kan zien zonder zonnebril.
Mijn gedachten vallen terug in mijn hoofd en concentreren zich voor mij. Twee heldere lichten verschijnen en komen mijn richting uit. Ik kan zelfs mijn voetstappen niet meer horen. Ik kan mezelf niet horen denken. Het komt dichterbij en ik hoor muziek nu. Het is onverstaanbaar, maar er is een kloppend ritme en het schudt me door mekaar.
Dan voel ik het, eerst in mijn heup, en dan ben ik ondersteboven. Een plotse pijn in mijn schouder, het geluid van brekend glas. Ik tol nu zijdelings. De lucht, de huizen, de grond: alles is vaag. Ik zie weinig meer dan enkele dikke vlekken licht. De muziek is duidelijk te horen nu. Ik zit gevangen in een wervelwind. En dan houdt het allemaal op. De grond voelt koel tegen mijn rug. Mijn hoofd slaat achterover en ik hoor mijn schedel kletteren. Ik hoor ook iets wat lijkt op een doordringende kreet en slaag er in mijn hoofd op te heffen. Alles is wazig, maar ik kan twee rode lichten uitmaken, niet zo ver weg. Maar ook zij worden vager en bewegen zich parallel aan mekaar van mij weg. De muziek is weg, het gebrul is weg, opnieuw stilte. Ik bekijk mijn benedenlichaam. Mijn been is achterom gebogen en lijkt vast te zitten aan mijn achterwerk. Mijn zicht wordt vager, ik leg mijn hoofd neer en sluit de ogen.
Ik open mijn ogen. De zon verblindt me en ik beweeg mijn hoofd. Nu zijn het niet meer de zonnestralen, maar knipperende lichten die me verblinden. Ik hoor gedempte stemmen. “Wakker, hij is wakker! Niet bewegen, gewoon stil zitten. Als je beweegt zal je nog meer breuken oplopen.” Ik denk dat ik glimlach, alvorens alles weer wegdeemstert.
Ik lijk te zweven. Iets doet me schudden. Links van mij roept een man in zijn telefoon, de vinger in het andere oor. Ook ik bemerk het lawaai. Rechts van mij is een andere man, die staart naar een aantal machines met lopende tellers. Ik vraag hem wat er gebeurt en hij antwoordt dat ik naar het ziekenhuis gebracht word. Ik vraag hem waarom. Hij vertelt me dat ik gevonden werd op de weg maar dat niemand weet hoe lang ik daar al lag. Hij is verrast dat ik nog leef. Ik vraag hem naar de toestand van mijn benedenlichaam. Het zijn vrij ernstige breuken, zegt hij. Ik vraag of ik dood ga. “Nee”, en hij draait zich van me weg. Ik word kwaad maar kan enkel mijn lippen flauw bewegen terwijl ik naar de scherpe klank van de sirenes luister alvorens alles weer verdwijnt.
Nu is het overal wit, en dat doet pijn aan mijn ogen. Alles doet pijn. Ik zie een man, gekleed in groen, met een wit masker. Ik kijk omlaag en zie stippellijnen, die als een wegmarkering over mijn borst lopen. Iemand achter me roept “Jezus, hij is wakker! Duw hem terug onder, ik dacht dat hij weg was, is hier eigenlijk iemand bekwaam?” Een witte hand trekt iets over mijn mond en neus. Mijn hartslag versnelt en alles verdwijnt opnieuw.
*
Het is drie uur ‘s ochtends en ik kan niet slapen. Dat krijg je als je te veel pijnstillers neemt. Er is geen stroom, dus ook geen nachttelevisie. Ik zit in mijn garage, een rolstoel op de plaats waar ooit mijn wagen stond. Ze hebben de kerel nooit gevonden, hij was reeds lang vertrokken tegen dat ze mij vonden. Onbegonnen werk. Ik denk dat ze niet hard genoeg geprobeerd hebben. Vanavond staan er enkele sterren aan het firnament. Een paar dunne wolken bedekken de maan, die nu oranje kleurt. Een serieuze verbetering. Ik duw de joystick naar voor, er is een kleine schok en dan kalmeert het ritme van de wielen. Ik lijk wel te zweven. Ik bereik de rand van het voetpad en trek de joystick terug. Ik kijk naar beneden en zie waar de rand het zwart van mijn wielen ontmoet. Een paar kiezels liggen aan mijn voeten. Ik kan niet en dus zal ik niet.
Ik draai de joystick rond en volg. De rolstoel rijdt de oprit weer op. Ik wou dat het sneller kon gaan, maar ik weet dat dit nooit zal gebeuren. En dan stopt hij. Ik duw de joystick een paar keer snel na mekaar vooruit maar de rolstoel beweegt niet, kan niet bewegen. Ik voel het effect van de pijnstillers uitwerken. Ik zou om hulp moeten roepen, maar dat kan ik niet. Ik kan niets meer doen van wat ik wil doen. Ik duw mijn handen vooruit en de rolstoel schuift onder me uit. Ik val op de stoep en voel hoe de kiezels putjes in mijn handpalmen maken. Ik hoor hoe de rolstoel van de helling rolt, en daarna het geluid van metaal tegen beton. Ik duw mezelf op mijn rug en bekijk de sterren. Ik sluit mijn ogen. Deze keer weet ik zeker dat ik lach.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten