Alles rondom hem was gemaakt uit lood. Lood, lood, lood, lood. Een loden deur in een loden muur met daarin één raam. Het raam was zijn enige uitzichtspunt op de wereld. Een soort van televisie, bedacht hij zich plots, al had hij nooit een echte televisie gezien. Die magische pratende dozen bestonden nog niet toen hij opgesloten werd en hij had hun uitvinding ook niet weten te voorspellen. Gelukkig, want anders hadden ze hem waarschijnlijk nog vroeger opgesloten.
Dus keek hij door het raam. Hij zag een meeuw en zuchtte. Zuchten deed hij niet vaak meer. Sinds er toch nooit iemand was die hem zag leek het hem zinloos emoties te tonen. De golven hoorde hij ook niet meer. Tenzij af en toe, eens om de zoveel maanden, wanneer de stoppen plots uit zijn oren leken te vallen en hij weer enkele minuten geluiden opving. Hij haatte de golven, maar hij hield van de taferelen die zich boven hen afspeelden. Twee vogels, verwikkelt in een hevig gevecht dat pas eindigde als een van beiden dood in de zee stortte. Dit soort geweldadige vertoningen braken de monotonie van zijn bestaan.
Ook poëzie hielp hem helder blijven. Zijn favoriete gedicht had hij zelf verzonnen, lang geleden, geïnspireerd door het geweld dat altijd aanwezig was op zee.
Aarde of zee, vogel of vis
Storm is er overal
Waar de toorn wordt onderschat
Van het instinct, bovenal
De laatste zin pastte niet helemaal. Hij wist dat het niet echt ergens op sloeg maar in de vijftig jaar sinds hij het bedacht had was er nooit een slot in hem opgekomen dat beter weergaf hoe hij zich voelde: verloren, gebroken en volledig in de war.
Hij schoof ongemakkelijk over de vloer terwijl hij van positie probeerde te wisselen. Het giftige metaal van de ketenen die hem vasthielden had geen effect op zijn dikke huid. Elke keten was minstens 50 kg zwaar en had een doorsnee gelijk aan die van zijn armen. Toch betekenden ze nauwelijks meer dan een kleine ergernis voor hem. Afgezien van het feit dat ze hem vasthielden op die plaats dan.
"WAAROM LOOD !?" schreeuwde hij plots uit. Hij was steeds meer tegen zichzelf beginnen praten de laatste tijd, waarschijnlijk een teken van het afsterven van zijn geest. "Eender welk ander materiaal en ik was weg... maar LOOD." Woedend sprong hij op en trok aan zijn ketenen, die daardoor dansten als gekgemaakte slangen en tegen de muren sloegen met het geluid van een honderdtal explosies. Hij zuchtte diep en viel uitgeput terug neer. Het was toen dat, voor de eerste keer sinds zijn opsluiting op dit afgelegen eiland, de gevallen engel huilde.
Daarna sliep hij. Hij droomde op dezelfde manier als duizend keer voordien. In zijn hoofd speelden zich niet de gruwelijke nachtmerries af die men misschien zou verwachten van de grootste demoon in de gekende geschiedenis, maar gewoon... dromen.
De cel verdween en maakte plaats voor een kleine maar gezellige houten kabine in een eindeloos uitgesperd sneeuwlandschap. Hij ging naar buiten en legde zich neer in de sneeuw. Een klein zwart vogeltje landde op zijn uitgesperde klauw. "Vroeger vloog ik ook",sprak hij tot het vogeltje op een rustige, tevreden toon. "Vroeger vloog ik net als jij en zag ik de aarde uitgespreid onder mij voorbijglijden. Nu niet meer." Hij glimlachte naar het kleine dier. "Maar dat is niet erg, hier is het ook mooi." Zo lag hij daar een tijdje, met het vogeltje naast hem op zijn klauw, en hij was tevreden.
Maar de illusie bleef nooit duren. Nieuwsgierigheid stak de kop op. Hij herinnerde zich dat hij in de kabine was en nu was hij er buiten maar de overgang kon kwam niet meer in zijn gedachten terug. Hij werd zich bewust van zijn eigen gigantische omvang en besefte dat hij nooit in een dergelijke kabine zou kunnen passen. Hij dacht aan het vogeltje en hoe het afwissellend zwart en dan weer bruin scheen te zijn. Het droombeeld begon te barsten, viel uit mekaar
Hij was wakker nu en terug op het eiland. Terug in zijn cel. Terug in zijn persoonlijke hel terwijl de tranen op zijn gloeiende wangen nog verdampten. Hij kreunde van teleurstelling, dezelfde verpletterende teleurstelling die hij elke keer voelde bij het ontwaken. En zoals altijd ging de ontgoocheling ook nu snel over in woede. Hij sprong op en trok aan zijn ketens. Het explosieve geluid van lood op steen weerklonk door de kamer.
Toen keerde zijn glimlach uit de droom plots terug. Met zijn oren kon hij geluiden opvangen zoals niemand anders. Het geluid van een miniscule barst in de muur die plotseling ontstaat bijvoorbeeld. In een klap werd hij overwelmd door zelfvertrouwen. Het zelfmedelijden was verdwenen en vervangen door ambitie en verlangen.
"Alsof ze mij ooit zouden kunnen vasthouden!" schreeuwde hij. Zijn hand bewoog zich traag over zijn lichaam tot hij de zwakke keten had gelokaliseerd. Ze was rond zijn hand gewikkeld. Hij trok eraan met slechts een fractie van zijn kracht, meer kon hij niet opbrengen. Lood verzwakte hem altijd, al wist hij niet waarom. Die fractie zou echter genoeg geweest zijn om een volwassen man te verpletteren en ze volstond nu ook om de keten uit de muur te trekken. Een keten weg, nog een dozijn te gaan. Maar hij wist dat de ketenen samen een geheel vormden, een soort van puzzel. Nu een van hen was uitgeschakeld hadden de overigen evengoed van katoen kunnen zijn. Hij stond recht, de overige ketens met sprekend gemak losrukkend, en zette een stap vooruit. Vrijheid. Hij zag het crucifix dat hem al die jaren uitdagend had aangestaard aan de overstaande muur, maar voelde geen woede of haat, enkel amusement. Hij haalde het kruisbeeld van de muur.
"Een klein souvenir van slechtere dagen", mompelde hij.
Zijn vrijheid, zo had hij zich altijd voorgenomen, zou hij vieren door op de hoogste rots van het eiland te klimmen en daar een schreeuw uit te laten die al het leven in een straal van dertig kilometer zou doen beven. Maar zodra hij buiten kwam wist hij dat dit plan niet zou doorgaan. Hij sprong van de heuvel en landde op de zwarte wateren. Rustig wandelde hij over de zee, ondertussen zijn opties overwegend. Een loedblad? Regen van bliksem en vuur? Werelddominatie? Het sprak hem allemaal maar matig aan. Het enige wat hij écht wou was veel bescheidener: hij wou de plaats uit zijn dromen zien.
Dus ging hij erheen.
Hij leefde er voor een eeuwigheid. Kwaad was nog steeds aanwezig in de wereld. Noem het de erfzonde of noem het iets anders, maar mensen bleven mensen vermoorden. Hij had er echter niks mee te maken. Hij startte geen grote oorlog en verspreed honger noch ziekte. Hij leefde gewoon als een simpele man: overdag hakte hij hout, in de avonden zat hij rond het vuur. Hij leed een rustig leven in een kleine, maar gezellige kabine in de sneeuw, met bloemen en een kruisbeeld in de raamopening. En hij was gelukkig.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten